سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 31-34

Allah (swt) die Adam (as) de namen van de dingen onderwees en het belang van voorkennis om te kunnen nadenken:

Allahu Teala zei:

وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلۡأَسۡمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمۡ عَلَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ فَقَالَ أَنۢبِـُٔونِي بِأَسۡمَآءِ هَٰٓؤُلَآءِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٣١ قَالُواْ سُبۡحَٰنَكَ لَا عِلۡمَ لَنَآ إِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ ٣٢ قَالَ يَٰٓـَٔادَمُ أَنۢبِئۡهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡۖ فَلَمَّآ أَنۢبَأَهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكُمۡ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ غَيۡبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَأَعۡلَمُ مَا تُبۡدُونَ وَمَا كُنتُمۡ تَكۡتُمُونَ ٣٣


En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen en toen liet Hij deze aan de Engelen zien en zei: “Vertel Mij hiervan de namen, als jullie waarachtig zijn. Zij (de Engelen) zeiden: “Verheerlijkt bent U, wij hebben geen kennis behalve van wat U ons onderwezen heeft. U bent de Alwetende, de Alwijze”. Hij zei: “O Adam, vertel hun de namen.” En toen hij hun de namen had verteld, zei Hij: “Heb Ik je niet verteld dat Ik het onzichtbare in de hemelen en op de aarde ken en dat Ik weet wat je onthult en wat je verborgen houdt?” (al-Baqarah: 31-32-33)  

Dit is de plaats waar vermeld wordt dat Allah Celle Celaluhu aan Adam alle namen onderwees en hem zo eer verleende door deze niet aan de engelen te onderwijzen. Deze kwestie vond plaats na het neerknielen (Sajda) van de engelen voor Adam. Dat dit eerbewijs vóór het gedeelte over het neerknielen (Sajda) wordt genoemd, is om een verband te leggen tussen deze situatie en de wijsheid achter het feit dat de engelen, zonder de scheppingswijsheid van de khalifah te kennen, vragen stelden, en dat Allah Teâlâ zei dat Hij weet wat zij niet weten. Allah Teâlâ bedoelde hiermee, door de superioriteit van Adam te vermelden, de eer van kennis toe te lichten die Hij aan Adam had geschonken. Daarom onderwees Allah Celle Celaluhu aan Adam alle namen.

Allah’u Teala wilde aan de engelen de superioriteit van Adam of van de mens tonen. Allah Celle Celaluhu onderwees Adam de namen van alles, Hij toonde hem wat alles was. De betekenis hiervan is: de superioriteit van de mens is dat hij kennis heeft om over iets een oordeel te kunnen vellen. Toen Allah, Celle Celaluhu, tegen de engelen zei: ‘Noem Mij de namen van deze dingen’, zeiden zij: ‘Wij hebben geen kennis behalve wat U ons hebt geleerd.’ Hij zei tegen Adam: ‘O Adam, maak hen deze namen bekend.’ Toen Adam het hen bekendmaakte, zei Allah’u Teala tegen hen: ‘Ik heb jullie toch gezegd dat Ik zeker het onzichtbare van de hemelen en de aarde ken (de geheimen daarin).’ Want toen Allah’u Teala tegen de engelen zei: ‘Ik zal op aarde een khalifah (een mens) scheppen’, zeiden zij: ‘Zult U iemand aanstellen die verderf zal zaaien en bloed zal vergieten, terwijl wij U prijzen met lof en U heiligen?’ De engelen waren bereid Allah te gehoorzamen en alles te doen. Het was alsof de engelen voelden dat zij een tekortkoming toeschreven aan Allah. Maar Allah toonde hun de reden daarvan niet en wilde hen zeggen: ‘Ik weet wat jullie niet weten, en dit is wat jullie niet weten: de kennis en het verstand van Adam. Dit is wat hem boven jullie plaatst. Hij weet wat jullie niet weten.

De uitleg hiervan is als volgt: ‘Ik ken het onzichtbare van de hemelen en de aarde, al het verborgene en onzichtbare, alles wat jullie bekendmaken en verbergen. Heb Ik jullie dat niet gezegd?’ De engelen begrepen niet waarom Allah de mens had geschapen; dit is enkel Allah’s wil. Dit alles is niet omdat zij een tekortkoming vertoonden in hun aanbidding en gehoorzaamheid aan Allah. Misschien is hetgeen wat de engelen verborgen hielden deze verdenking en twijfel.

Aan de andere kant zegt Allah’u Teala in soera Fussilat tegen de mensen:

“Als zij hoogmoedig doen, (weet dan) degenen die bij jouw Heer zijn (de engelen), Hem dag en nacht zonder moe te worden verheerlijken.” (Fussilat: 38)  

De betekenis hiervan is: Allah heeft geen behoefte aan de aanbidding van wie dan ook. De engelen verrichten immers overvloedig aanbidding en aanbidden Allah zonder ooit moe te worden of een tekortkoming te tonen. O mensen! Als jullie Mij geen aanbidding verrichten, dan heb Ik jullie helemaal niet nodig. Als jullie wel aanbidding verrichten, dan doen jullie een goede daad voor jezelf. Sterker nog, de mens heeft het nodig om Allah te aanbidden. Want Allah is Degene die hem heeft geschapen, hem alle gunsten heeft gegeven, en het is om de beloning van Allah te verkrijgen. In de natuur van de mens bevindt zich ook het verlangen om te aanbidden. Dit komt voort uit de religieuze drang (de instinctieve drang naar religie). Als de mens Allah niet aanbidt, zal hij iets anders aanbidden. Als hij Allah aanbidt, zal hij gelukkig en vredig zijn, en op die manier zal hij zijn instinct op de juiste wijze bevredigen. Laat de mens dan het ware aanbidden zonder af te dwalen, zodat hij gelukkig wordt. Laat hen niet Marx, Lenin, Atatürk, Boeddha, koeien, muizen, bomen, stenen, sterren, de man de vrouw, de vrouw de man, slangen, filosofen, denkers, zangers, kunstenaars, geld en bezit, en andere zwakke dingen aanbidden. Anders zullen zij ongelukkig en onrustig zijn. Want mensen zullen zeker iets aanbidden. Laat hen dan Allah aanbidden, zodat zij geluk mogen vinden.

Aanbidden wordt als volgt begrepen: dat de mens aan iets of iemand uiterste eerbied en liefde toont, het als het hoogste beschouwt en zich eraan onderwerpt of diens bevel van binnenuit en zonder aarzeling opvolgt. Dit wordt bij elke mens gezien, want het bestaat in zijn natuur en kan er niet uitgetrokken worden.

Om na te denken is er kennis nodig. Bij het definiëren van het verstand maken we gebruik van dit vers. Want bij het definiëren van iets moeten we kijken naar de waarheden die Allah heeft getoond. Alleen dan bereiken we het juiste resultaat. Degene die het verstand voor het eerst correct heeft gedefinieerd is Takiyuddin an-Nabhani, de oprichter van Hizb-ut-Tahrir. Hij heeft hiervan gebruikgemaakt. Hij legt dit uit in zijn boeken “Het Islamitisch systeem” dat hij in 1953 uitgaf, en “De Denkmethodologie” dat hij in 1973 uitgaf. Deze correcte definitie was als volgt:
‘Het is het overbrengen van de realiteit naar de hersenen via de zintuigen, samen met het bestaan van voorkennis die deze realiteit verklaart.’

1 – De zintuiglijke organen zijn: zien, horen, ruiken, proeven en aanraken.
2 – De realiteit is een materie of een ding, of het spoor daarvan, een gebeurtenis of het spoor daarvan.
3 – De hersenen zijn de som van de cellen die zich in het hoofd van de mens bevinden.
4 – Voorkennis: realiteit, materie, het spoor ervan, een gebeurtenis of het spoor daarvan. Als deze kennis er niet is, kan de mens absoluut niet nadenken.

Wanneer de mens met zijn zintuigen iets waarneemt, brengt hij dat naar de hersenen en begint hij erover na te denken met de voorkennis die hij erover bezit, begrijpt hij wat het is en velt hij er een oordeel over. Zo verkrijgt de mens een idee over dat ding.

In de Koran zijn er vele verzen over de zintuigen. De Koran wil dat de mens naar de realiteit kijkt:

“Kijken zij dan niet naar de kameel, hoe die geschapen is? En naar de hemel, hoe die is opgeheven? En naar de bergen, hoe die stevig zijn gegrondvest? En naar de aarde, hoe die is uitgespreid?” (al-Ghaşiyah: 17-18-19-20) 

Op deze manier bereiken wij, door de Koran te begrijpen, de juiste definitie van het verstand. Als de mens geen voorkennis over iets heeft, kan hij er niet over nadenken en geen mening erover geven. In soera al-Isra zegt Allah’u Teala:

“Volg niets waarvan je geen kennis hebt. Voorwaar, het gehoor, het gezichtsvermogen en het hart – over al deze zal rekenschap worden afgelegd.” (Isra: 36) 

Dus, als hij iets niet heeft gezien of niet heeft gehoord, en hij daarover een oordeel velt, dan wordt hij daarvoor verantwoordelijk gehouden. Als hij een mening geeft op basis van een vermoeden, een inbeelding of een aanname, is hij opnieuw verantwoordelijk. Daarom moet de mens eerst de gebeurtenis met zijn zintuigen overbrengen, en daarna kennis opdoen over de gebeurtenis. Zonder kennis mag je geen oordeel vellen op basis van vermoeden, aanname of inbeelding. In andere verzen beveelt Allah’u Teala: leer, onderzoek, bestudeer en verwerf kennis. Hiervoor beveelt Hij ons naar de hemel, de sterren, de aarde, de bomen, onszelf, de dieren, de regen en verschillende gebeurtenissen te kijken. Daarna vraagt Hij ons om na te denken. Daarna wil Hij dat wij Hem met kennis en nadenkend aanbidden.

Het neerknielen (sajda) van de engelen voor Adam, de werkelijkheid van Iblies en zijn hoogmoed:

وَإِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ ٱسۡجُدُواْ لِأٓدَمَ فَسَجَدُوٓاْ إِلَّآ إِبۡلِيسَ أَبَىٰ وَٱسۡتَكۡبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ

“En toen Wij tot de engelen zeiden: ‘Knielt neer voor Adam,’ knielden zij allen neer, behalve Iblies. Hij weigerde en werd hoogmoedig, en hij behoorde tot de ongelovigen.” (al-Baqarah: 34)

Iblies is geen engel, maar behoort tot de djinn. In soera al-Kahf, vers 50, wordt hierover het volgende vermeld:

“En toen Wij tot de engelen zeiden: ‘Knielt neer voor Adam,’ knielden zij neer, behalve Iblies. Hij behoorde tot de djinn en overtrad het bevel van zijn Heer. Willen jullie hem en zijn nakomelingen als vrienden nemen in plaats van Mij, terwijl zij jullie vijand zijn? Slecht is de ruil voor de onrechtplegers!” (al-Kahf: 50)

Er is in de Koran geen enkele verklaring dat Iblies samen met de engelen was. Ook in de Soenna is er over dit onderwerp geen enkele overgeleverde hadith. Echter, sommige metgezellen en degenen die na hen kwamen (de tabi’ien) hebben hierover verklaringen gegeven. Deze verklaringen behoren niet tot de soort hadith, maar zijn van het type overlevering (eser).

Als voorbeeld: Ibn Jarir verhaalt dat Ibn Abbas de volgende uitleg gaf:
“Op aarde woonden djinn en zij veroorzaakten veel verderf en onheil. Allah stuurde een leger van engelen, geleid door Iblies. Dit leger onder leiding van Iblies versloeg de djinn en dreef hen uiteen. De djinn werden gedwongen zich terug te trekken naar eilanden en de voet van bergen, en zij vestigden zich daar. Na dit voorval begon Iblies zichzelf als superieur te beschouwen en trots kwam in zijn hart. Maar de engelen zagen de hoogmoed en arrogantie van Iblies niet. Totdat Allah Adam schiep. Toen Allah Adam kennis gaf en hem daarmee superieur maakte, werd Iblies erg jaloers en weigerde neer te knielen zoals de engelen voor Adam hadden geknield.”

Soortgelijke overleveringen zijn ook doorgegeven. Maar deze hebben geen betrekking op de geloofsleer (‘aqiedah). Om in zaken van het onzichtbare of wat het verstand niet kan bevatten te kunnen geloven, is een vaststaand bewijs nodig zoals een vers of een mutawatir (meervoudig overgeleverde) hadith. De betekenis van dit bewijs moet ook met zekerheid vaststaan. Bewijs dat met de geloofsleer te maken heeft, wordt alleen geaccepteerd als het zeker is. Anders is het slechts een gewoon bericht, en wordt het geen geloofskwestie of onderdeel van de geloofsleer. Als dit bericht authentiek of sterk is, accepteren we het en handelen we ernaar, maar het wordt geen geloofsleer, en het is niet toegestaan het als geloofsleer aan te nemen.

Maar het is ook niet correct om een vraag te stellen over waarom Iblis zich bij de engelen bevond en wat zijn taak daar was. Want wat voor ons werkelijk belangrijk is, is de houding die wij zullen aannemen tegenover Iblis, zijn influisteringen en het pad dat hij uitstippelt. In soera Djinn, vers 4, wordt uitgelegd dat Iblis de leider van de djinn is en dat hij leugens en onzinnige dingen over Allah aan de djinn heeft toegeschreven. In het vers van soera al-Baqarah, waarvan wij de tafseer proberen te maken, zijn er ook andere punten aanwezig. Men moet niet zoals Iblis tegen Allah in opstand komen of hoogmoedig zijn. De mens moet nadenken over hoe Allah’u Teala hem verheven heeft, en Allah daarvoor dank betuigen. Ware dankbaarheid wordt gerealiseerd door zich aan de bevelen van Allah te houden en afstand te nemen van Zijn verboden. In soera al-Isra, vers 70, verklaart Allah’u Teala dat Hij de kinderen van Adam eer heeft verleend, terwijl Hij in hetzelfde hoofdstuk, vers 72, spreekt over degenen die zich niet onderwerpen aan de religie en de verzen van Allah, dat zij zowel in deze wereld als op de Dag der Opstanding blind zullen zijn – dit is een figuurlijke betekenis. De betekenis hiervan is: wie tegenover de bevelen van Allah blind is, zal op de Dag der Opstanding blind zijn. Allah Celle Celaluhu maakt in soera at-Tin bekend dat Hij de mens in de mooiste vorm heeft geschapen, en vervolgens vermeldt Hij dat de mens in de slechtste toestand is gevallen. Maar hierbij maakt Hij een uitzondering door te zeggen dat degenen die geloven en goede daden verrichten, uitgezonderd zijn, en Hij (swt) maakt bekend dat Hij (swt) hen zal belonen. Iblis werd een ongelovige omdat hij het bevel van Allah verwierp. Dienovereenkomstig: wie het bevel van Allah verwerpt, is zeker een ongelovige. Omdat Allah’u Teala Adam eer verleende, plaatste Hij hem in het Paradijs. Over dit onderwerp zei Hij het volgende: (Zie tafseer soerah al-Baqarah vers 35).

Comments are closed.