سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 44-46

Het goede niet doen maar anderen tot het goede oproepen:

أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ

“(O geleerden!) Jullie lezen het Boek (de Thora) – (terwijl jullie de waarheden kennen), maar bevelen jullie de mensen het goede te doen terwijl jullie jezelf vergeten? Gebruiken jullie jullie verstand dan niet?” (al-Baqarah: 44)

De kinderen van Israël, in het bijzonder hun geleerden en rabbijnen, leerden het Boek (de Thora) goed, maar zij pasten het helemaal niet toe. Daarom zei Allahu Teala in soera al-Jumu’a, vers 5, dat toen de Thora aan hen werd toevertrouwd, zij het niet droegen; hun gelijkenis is als de ezels die boeken dragen. Omdat zij de Thora niet toepasten.

De kinderen van Israël zijn in soera al-Ma’ida, verzen 78-79, vervloekt. Want zij hebben de slechte/haram daden niet verboden. Aan de Boodschapper van Allah, sallallahu aleyhi ve sellem, werd over deze verzen gevraagd: “Verbood niemand van hen het slechte?” De Boodschapper van Allah, sallallahu aleyhi ve sellem, antwoordde: “Jawel, er waren er die het verboden, maar de verbieders zaten samen met degenen die het slechte deden, aten en dronken met hen.” Daarom zullen degenen die het slechte verbieden zowel hen verbieden als zich van hen verre houden.

Er zijn vele verzen die ons waarschuwen. En de Boodschapper van Allah, sallallahu aleyhi ve sellem, sprak ook vele overleveringen die ons waarschuwen. Zo heeft Allahu Teala ons vele voorbeelden getoond van de daden van de kinderen van Israël en van de toestand waarin zij vervielen. Dit is om te voorkomen dat wij in dezelfde toestand terechtkomen. Want zij waren mensen zoals wij. Ook wij zijn mensen en kunnen in dezelfde toestand vallen. De Boodschapper van Allah, sallallahu aleyhi ve sellem, heeft zelfs in vele overleveringen bericht dat wij in dezelfde toestand zouden vervallen als de kinderen van Israël, en dit is werkelijkheid geworden.

Een van die overleveringen is deze:
“U zult de wegen van degenen vóór u stap voor stap volgen. Als zij in het hol van een hagedis kruipen, zult u ook daarin kruipen. Als iemand van hen gemeenschap heeft met zijn vrouw op straat, zult u hetzelfde doen.”
Er werd gevraagd aan de Boodschapper: “Zijn zij de Joden en de Christenen?”
De Boodschapper antwoordde: “Wie anders dan zij?” (Bukhari, Muslim en al-Hakim)

Vele geleerden, imams en anderen met meer of minder kennis nodigen soms uit tot de islam of verbieden bepaalde slechte daden, maar zij doen niet wat zij zeggen. Bijvoorbeeld, zij zeggen dat zij zich aan de islam vasthouden, maar ondernemen geen enkele actie om de regimes die regeren met ongeloof of niet met wat Allah heeft neergezonden, te veranderen. Wanneer wij hun vragen: “Waarom onderneemt u geen actie?” zeggen zij: “Wij zijn zwakke gelovigen, op het zwakste niveau van iman, wij haten hen slechts met ons hart.”

Maar wie hen met zijn hart haat, kan geen beschermende ambtenaar van die regimes zijn. Toch nemen zij functies aan binnen die ongelovige regimes die de bron zijn van slechte daden, en zijn zij bang om de slechte daden van die regimes aan te raken (benoemen of bekritiseren). Alleen de slechte daden die door individuen worden gedaan, durven zij soms te benoemen.

Kracht verkrijgen door Sabr te hebben, het gebed te verrichten en Duaa’ (smeekbede) te doen:

Allah Celle Celaluhu roept de kinderen van Israël en alle mensen tot het volgende:

وَٱسۡتَعِينُواْ بِٱلصَّبۡرِ وَٱلصَّلَوٰةِۚ وَإِنَّهَا لَكَبِيرَةٌ إِلَّا عَلَى ٱلۡخَٰشِعِينَ 

ٱلَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُم مُّلَٰقُواْ رَبِّهِمۡ وَأَنَّهُمۡ إِلَيۡهِ رَٰجِعُونَ

“Zoek hulp met sabr’ en het gebed. Waarlijk, dat (Sabr’ en het gebed) is een zware en moeilijke aanbidding voor iedereen, behalve voor degenen wier hart beeft uit vrees voor Allah.
Zij zijn degenen die er zeker van zijn en aanvaarden dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat zij tot Hem zullen terugkeren.”
(al-Baqarah: 45-46)

De Boodschapper van Allah, sallallahu aleyhi ve sellem, begon zodra er een ernstige zaak plaatsvond meteen te bidden. In het gebed herinnert de mens zich de verbinding met zijn Heer en zoekt kracht bij Hem (swt). Omdat hij weet dat hij vroeg of laat Allah zal ontmoeten en tot Hem zal terugkeren. Daarom denkt de moslim, waarom zou ik verontrust zijn, waarom zou ik ongeduldig zijn, wat mij zal overkomen zal mij overkomen, ik kan er niet aan ontsnappen, daarom moet ik geduldig zijn. Opstaan voor het gebed is een zware zaak, maar zij die nederig en vroom zijn staan onmiddellijk op voor het gebed en beschouwen het niet als een grote en zware zaak. Zelfs de jihad en het uitdagen van de onderdrukkers worden niet als groot beschouwd.

De zwakken zeggen: wij kunnen nog niet eens behoorlijk bidden, zullen wij dan op jihad gaan, zullen wij dan strijden tegen tirannieke regimes en leiders? Voor hen zijn dit zeer grote en zware zaken. Maar de ware gelovigen, degenen die Allah vrezen en weten dat zij vroeg of laat hun Heer zullen ontmoeten, wagen zich aan grotere daden dan het gebed. Hun vastberadenheid en wijsheid zijn groot. Zij zijn sterke gelovigen en tonen sabr. Wat hen ook overkomt, zij verdragen het. Ook al worden zij vervolgd, gemarteld, gevangen gezet en gedood, hun hoofden blijven rechtop en zij verslappen niet.

Want om grote daden te kunnen verrichten, moet men voor de mensen en hun krachten geen angst hebben en alleen voor Allah vrezen, en tegen alle pijn en moeilijkheden sabr hebben. Zij die aan Allah en het Hiernamaals denken, vrezen de mensen niet, zij zijn geduldig en standvastig en tonen volharding in hun zaak tot aan de dood. Dit is omdat ze er vast van overtuigd zijn dat ze vroeg of laat zullen sterven, op de een of andere manier. Omdat zij geloven dat Allah de machtigste is, wenden zij zich altijd tot Hem en zoeken hulp bij Hem alleen.

Comments are closed.