سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 55-57
De verzoeken van Banû Isrâ’îl om Allah duidelijk te zien:
وَإِذۡ قُلۡتُمۡ يَٰمُوسَىٰ لَن نُّؤۡمِنَ لَكَ حَتَّىٰ نَرَى ٱللَّهَ جَهۡرَةٗ فَأَخَذَتۡكُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَأَنتُمۡ تَنظُرُونَ ٥٥
ثُمَّ بَعَثۡنَٰكُم مِّنۢ بَعۡدِ مَوۡتِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ
En (gedenk) toen jullie zeiden: “O Mozes! Wij zullen je nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien.” Waarop de bliksem jullie greep terwijl jullie toekeken. En Wij deden jullie na jullie dood opstaan, zodat jullie dankbaar zouden zijn. (al-Baqarah: 55-56)
Hoewel de wonderen die Mûsâ (vrede zij met hem) aan Banû Isrâ’îl had gebracht al voldoende waren, vroegen zij om een nieuw wonder. Hun verzoek(/wens) was om Allah openlijk te zien.
Maar iemand die met zijn verstand in Allah gelooft, kan zoiets niet wensen. Want het verstand gelooft dat Allah niet beperkt is. De mens daarentegen is een beperkt wezen. Ook de zintuigen en alle vermogens van de mens zijn beperkt. Daarom kan hij alleen datgene zien en voelen wat beperkt is.
Wanneer de mens beseft dat alles beperkt, behoeftig en machteloos is, merkt hij het bestaan van een Schepper op. Zo begrijpt de mens dat Allah boven het verstand staat. Het menselijk verstand kan slechts nadenken over wat beperkt is en wat het waarneemt. Via de zintuigen worden de waargenomen gebeurtenissen aan de hersenen doorgegeven, en op die manier begint het met voorkennis na te denken.
Het niet kunnen zien van Allah verzwakt het geloof niet, het versterkt het juist. Wij beseffen dat wat direct met de zintuigen wordt waargenomen, beperkt is. Want onze ogen en zintuigen zijn beperkt en kunnen slechts het beperkte waarnemen.
Het bevestigen van het bestaan van Allah ontstaat wanneer men begrijpt dat wijzelf, de natuur en het heelal machteloos en beperkt zijn. Daarom, als alles machteloos, behoeftig en beperkt is, wordt duidelijk dat wij een kracht nodig hebben die niet beperkt, niet machteloos en niet behoeftig is.
Alleen Hij kan ons scheppen. Wat beperkt is, kan geen schepper zijn.
Om die reden lijken sommige ongelovigen van deze tijd, die zeggen: “Toon ons de Schepper, dan zullen wij geloven,” op de situatie van Banû Isrâ’îl. Deze mensen vertonen zulke dwaasheid omdat zij niet diep en verlicht nadenken. Zoals we hierboven hebben uitgelegd, zouden zij, als zij diep en verlicht hadden nagedacht, zo’n onredelijk verzoek niet hebben gedaan.
Als moslims vragen wij niet om Allah te zien. Zo’n gedachte komt niet eens bij ons op. Want als moslims geloven wij zonder enige twijfel dat Allah niet beperkt is, en wij bevestigen dit met zekerheid. Wij beschouwen de zaak ook als volgt: “Ons verstand kan slechts het beperkte begrijpen en zien.”
Allah de Verhevene toonde Banû Isrâ’îl een wonder om Zijn bestaan te bewijzen. Hij liet hen tijdelijk sterven en wekte hen weer tot leven, opdat zij Zijn majesteit zouden zien en geloven. Allah, Verheven is Hij, bewees hun hiermee nog iets anders: dat het geloven in Allah’s bestaan niet afhankelijk is van het Hem zien.
Wanneer een mens de sporen van een bestaan waarneemt, gelooft hij dat dit bestaat. Als een mens zonder te zien het geluid van een vliegtuig hoort, gelooft hij in het bestaan van dat vliegtuig. Net zoals de mensen van vandaag geloven in de personen, volken en gebeurtenissen uit de geschiedenis, hoewel zij die niet hebben gezien, maar in hen geloven omdat zij hun sporen hebben waargenomen. Wanneer iemand een historisch voorwerp vindt of ziet dat toebehoorde aan vroegere mensen, begrijpt hij aan de hand van die voorwerpen dat er ooit mensen op die plaats hebben geleefd.
Banû Isrâ’îl dankten Allah niet, hoewel zij hun eigen dood met eigen ogen zagen, evenals hun opwekking. Iemand die deze gunst begrijpt, zou voortdurend Allah moeten danken. Maar niet iedere mens is zo. De meeste mensen zijn ondankbaar. Daarom zei Allah de Verhevene: “opdat jullie dankbaar zouden zijn.” En dat, zelfs nadat zij deze wonderen hadden gezien. Dat Allah de Verhevene “misschien” of “hopelijk” zegt, toont aan dat dit niet voortdurend gebeurt. Maar de meeste mensen willen niet geloven, zelfs als zij de waarheid zien; hoeveel gunsten zij ook ontvangen, zij tonen geen dankbaarheid. We zien dat Banû Isrâ’îl ook zo’n houding vertoonden in het volgende vers van dezelfde soera.
De neerdaling van voedsel uit de hemel voor Banû Isrâ’îl:
وَظَلَّلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡغَمَامَ وَأَنزَلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَنَّ وَٱلسَّلۡوَىٰۖ كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡۚ وَمَا ظَلَمُونَا وَلَٰكِن كَانُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ يَظۡلِمُونَ
En Wij gaven jullie schaduw door middel van wolken, en Wij lieten manna en kwartels op jullie neerdalen (en zeiden:) ‘Eet van de goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien.’ In werkelijkheid deden zij Ons geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan. (al-Baqarah: 57)
Toen Banû Isrâ’îl aan Mûsâ (vrede zij met hem) vroegen om Allah duidelijk te zien, strafte Allah, Verheven is Hij, hen met de dood, waarna Hij hen weer tot leven wekte. Dit was in feite een groot wonder en een gunst voor hen.
Toen Banû Isrâ’îl in de woestijn, tegenover de intense hitte, in verwarring en hulpeloosheid verkeerden, schonk Allah hun een gunst. Hij overschaduwde hen met wolken om hen tegen de brandende zon te beschermen. En toen zij om voedsel vroegen, schonk Allah hun het voedsel dat “mann” en “selwâ” werd genoemd.
Over wat dit voedsel precies was, hebben de uitleggers verschillende meningen gegeven. Sommigen verklaarden dat “mann” een soort voedsel was, anderen zeiden dat het een soort drank was. Weer anderen beweerden dat het honing was. Ook zijn er die “selwâ” uitlegden als een soort vogel.
Voor ons is echter niet belangrijk wat dit voedsel of deze drank precies was, maar welke les en wijze raad wij daaruit kunnen trekken. Banû Isrâ’îl toonden ondankbaarheid tegenover al deze gunsten, en werden daardoor ongelovigen en onrechtplegers. Daarom zegt Allah de Verhevene in dit vers: “Zij deden Ons geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.”
Want wanneer de mens ongelovig, zondig of onrechtvaardig wordt, kan hij Allah geen schade berokkenen. De schade treft enkel de mens zelf. Allah heeft de mensen niet nodig, zodat hun schade Hem zou kunnen treffen — integendeel, de mensen zijn het die Allah nodig hebben.
De metgezellen van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) vroegen de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) nooit om enig wonder, voedsel of iets dergelijks van wereldse aard. Zij leden honger en werden gekweld. Desondanks kwamen zij niet in opstand tegen de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen zij met hem) of tegen Allah. Integendeel, zij waren geduldig; zij bonden stenen om hun buik van de honger, werden door de ongelovigen zwaar beproefd, velen werden gedood en gemarteld. Ondanks dat zij tegenover alle polytheïstische Arabieren en Joden stonden, deden zij nooit wat Banû Isrâ’îl hadden gedaan. Zij geloofden met vastheid en toonden standvastigheid.
Want zij traden de islam binnen met hun verstand. Zij geloofden door diep nadenken en verlicht overwegen. De meesten van Banû Isrâ’îl die de religie van Mûsâ (vrede zij met hem) aannamen, geloofden niet verstandelijk maar emotioneel. Daarom dwaalden zij, nadat zij deze religie hadden aangenomen, meerdere keren af en werden gestraft. Zij vroegen Mûsâ (vrede zij met hem) om wonderen, voedsel, schaduw, een tafel uit de hemel en andere wereldse zaken. Hoewel hun dit werd gegeven, toonden zij geen standvastigheid in hun religie en wilden zij niet strijden omwille van hun geloof. Zij gingen zelfs zo ver dat zij, wanneer hun profeten niet naar hun wensen handelden, hen doodden.
Als we een vergelijking maken, dan zijn de metgezellen van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) en de moslims uit die tijd verheven boven de metgezellen van Mûsâ (vrede zij met hem) en boven Banû Isrâ’îl. Allah de Verhevene zegt in soera Âl ‘Imrân, vers 110, dat de islamitische gemeenschap “de beste gemeenschap is die voor de mensen is voortgebracht”.
Laat de moslims deze waarde dan behouden. Zoals in het vers wordt aangegeven, wordt het voortreffelijk zijn van de gemeenschap voltooid door “het goede te bevelen” en “het verwerpelijke te verbieden”. Degene die het goede beveelt, past het toe, en degene die het verwerpelijke verbiedt, onthoudt zich ervan. Dit betekent het toepassen van de sharî‘a.
Om de sharî‘a toe te passen, is er echter een staat nodig. Daarom wordt de voortreffelijkheid van de gemeenschap pas volledig wanneer er een staat is die de sharî‘a toepast. Helaas, aangezien er vandaag de dag geen dergelijke staat bestaat, zien wij dat de toestand van de gemeenschap zeer miserabel is.
Comments are closed.