سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 58-60
Banû Isrâ’îl die woordspelingen maakten:
وَإِذۡ قُلۡنَا ٱدۡخُلُواْ هَٰذِهِ ٱلۡقَرۡيَةَ فَكُلُواْ مِنۡهَا حَيۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدٗا وَٱدۡخُلُواْ ٱلۡبَابَ سُجَّدٗا وَقُولُواْ حِطَّةٞ نَّغۡفِرۡ لَكُمۡ خَطَٰيَٰكُمۡۚ وَسَنَزِيدُ ٱلۡمُحۡسِنِينَ
En toen Wij zeiden: “Treedt deze stad binnen en eet er overvloedig van waar jullie maar willen, en treedt de poort nederig binnen, en zegt: ‘Hıtta!’ (O Heer, vergeef ons), dan zullen Wij jullie zonden vergeven; en Wij zullen degenen die goed doen overvloedig belonen.” (al-Baqarah: 58)
In dit vers wordt niet vermeld om welke stad het precies gaat. Maar er wordt de voorkeur aan gegeven dat dit Jeruzalem is, omdat Banû Isrâ’îl bevolen waren het heilige land (Palestina) binnen te gaan.
Echter, Banû Isrâ’îl werden bang en wilden geen jihad voeren. En zij zeiden tegen Mozes (vrede zij met hem): “Ga jij maar met jouw Heer en strijd, wij blijven hier zitten.” Op deze manier begonnen de Joden te verkiezen om te leven, en om hun leven en bezit te verkiezen. Daardoor werden ze laf, want wie zulke dingen verkiest, wordt laf.
Allah de Verhevene wilde dat Banû Isrâ’îl het heilige land en Jeruzalem binnengingen; Hij had voor hen overvloedig levensonderhoud bereid en wilde dat zij zich zouden neerbuigen om vergeving van hun zonden te vragen. Allah wilde dat zij Hem om vergeving zouden vragen voor de zonden die zij hadden begaan. Zo zou Allah hun zonden vergeven en hun beloning vermeerderen. Maar zij deden juist het tegenovergestelde.
فَبَدَّلَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ قَوۡلًا غَيۡرَ ٱلَّذِي قِيلَ لَهُمۡ فَأَنزَلۡنَا عَلَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ رِجۡزٗا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ بِمَا كَانُواْ يَفۡسُقُونَ
Maar degenen die gezondigd hadden veranderden de woorden die hun gezegd waren door andere woorden. Daarop zonden Wij een bestraffing op de zondaren van de hemel, want zij rebelleerden tegen Allahs gehoorzaamheid. (al-Baqarah: 59)
Banû Isrâ’îl behoorden tot de onrechtplegers, zij waren ongehoorzaam aan Allah, vroegen geen vergiffenis en verzochten niet om Allah’s vergeving. Zij zeiden woorden met een andere betekenis. De Mufasireen hebben uitgelegd dat Banû Isrâ’îl in plaats van “Hitta” het woord “Hinta” zeiden. De betekenis van “Hitta” is vergiffenis. “Hinta” betekent tarwe. Zie waar het spelen met woorden toe leidt!
Ook in de tijd van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen zij met hem) speelden de Joden met woorden. Bijvoorbeeld, zij gebruikten het woord “Raina” in een verkeerde betekenis en gebruikten het op een slechte manier. Allah de Verhevene openbaarde twee verzen en verbood het gebruik van dit woord.
In deze tijd brengen de Joden, de christenen en andere ongelovigen woorden met een andere betekenis in de gedachten van de moslims en promoten zij zulke woorden. Bijvoorbeeld, zoals zij de woorden republiek in plaats van khilafah hebben gepromoot. Zij vertellen de moslims dat deze woorden de betekenis van khilafah dragen. Op deze manier, toen Mustafa Kemal de khilafah (de islamitische staat) vernietigde, vaardigde hij een wet uit die de khilafah ophief en zei: “De khilafah is vervat in betekenis en begrip in de republiek en de regering.”
Echter, er is een groot verschil tussen de khilafah en de republiek. De khilafah is het algemene leiderschap over alle moslims in de wereld, met als doel de islamitische wet toe te passen en de islam over de wereld te verspreiden. De republiek daarentegen is de vertaling van het Griekse woord “Republik”, wat de heerschappij van de meerderheid betekent. Tijdens de conferentie van Berlijn in 1878 brachten de westerlingen de democratie in de islamitische wereld om de islamitische staat te vernietigen. Er werd gezegd dat democratie “shûrâ” is. Nog steeds denken veel moslims dat democratie “shûrâ” is. Zij verwarden de fundamentele vrijheden met de vrijheid in de islam (het bevrijden van een slaaf). Tegenwoordig proberen zij de term mensenrechten aan de moslims op te dringen. Regimes die aan het Westen gebonden zijn en hun agenten proberen dit te verspreiden. Sommige naïeve moslims accepteren dit en roepen ertoe op.
Spelen met woorden is spelen met begrippen/concepten. Want elk woord en elke term heeft een betekenis. “Hitta” betekent vergeven, “Hinta” betekent tarwe. Daarom moeten moslims voorzichtig zijn en niet in dezelfde toestand vervallen als de Joden. Zij moeten voorzichtig zijn met de woorden of termen die door Joden en christenen worden verspreid.
Daarnaast bogen Banû Isrâ’îl zich niet toen zij de poort binnengingen, zij toonden hoogmoed en verzetten zich koppig. Door andere handelingen te doen, dreven zij spot met Allah’s bevel. Daarom strafte Allah hen in deze wereld en zond Hij over hen een zware bestraffing neer, omdat zij verdorven waren en openlijk zonden begingen. Allah heeft degenen die openlijk zonden begaan in vele verzen gewaarschuwd en met bestraffing in deze wereld bedreigd. In elk tijdperk moeten mensen, en vooral moslims, zich hoeden voor Allah’s bestraffing. Daarom worden zij elke dag met andere straffen getroffen, zoals aardbevingen, tyfoons, burgeroorlogen, armoede, moeilijkheden enzovoort. Moge Allah al deze rampen van de islamitische oemmah wegnemen.
Maar alleen duaa’ (smeekbede) is niet voldoende en geen weg om de situatie te veranderen. De weg is om te strijden zoals de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) en zijn Sahabah (metgezellen) streden. Terwijl deze strijd gevoerd wordt, moet er duaa’ gedaan worden.
Het water dat uit de steen opwelde door de staf van Mûsâ:
وَإِذِ ٱسۡتَسۡقَىٰ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦ فَقُلۡنَا ٱضۡرِب بِّعَصَاكَ ٱلۡحَجَرَۖ فَٱنفَجَرَتۡ مِنۡهُ ٱثۡنَتَا عَشۡرَةَ عَيۡنٗاۖ قَدۡ عَلِمَ كُلُّ أُنَاسٖ مَّشۡرَبَهُمۡۖ كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ مِن رِّزۡقِ ٱللَّهِ وَلَا تَعۡثَوۡاْ فِي ٱلۡأَرۡضِ مُفۡسِدِينَ
“Mozes vroeg Allah om water voor zijn volk en Wij zeiden tot hem: Sla een steen met je staf! Onmiddellijk ontsprongen er twaalf bronnen. Wij zeiden: “Eet en drinkt van de voorziening van Allah en schept geen wanorde op aarde.” (al-Baqarah: 60)
Allah de Verhevene schonk Banû Isrâ’îl het voedsel genaamd “mann” en “selwa”. Daarna vroegen zij om water. De profeet Mûsâ (vrede zij met hem) vroeg voor hen water aan Allah. Allah zei tegen hem: “Sla met jouw staf op de steen.” Toen Mûsâ (vrede zij met hem) met zijn staf op de steen sloeg, ontsprongen er twaalf openingen uit de steen. Elke opening werd een bron van water. Banû Isrâ’îl bestonden uit twaalf stammen. De naam van Ya‘qûb (vrede zij met hem) was Isrâ’îl. Hij had twaalf kinderen. Zo werden Banû Isrâ’îl twaalf stammen.
Allah de Verhevene schonk Banû Isrâ’îl gunsten zodat zij zich meer tot Allah zouden wenden, volledig zouden geloven en dankbaar zouden zijn. Allah de Verhevene zei tegen hen: “Eet en drink overvloedig van Mijn voorzieningen; wat jullie ook verlangd hebben, Ik heb het jullie gegeven. Maar wees op uw hoede en breng geen verderf en onheil op aarde.”
Allah de Verhevene kent de aard van de mens, daarom waarschuwt Hij hen. In Soera al-‘Alaq (verzen 6-7) legt Allah de Almachtige dit uit: wanneer de mens rijk wordt, wordt hij opstandig. Zo begint hij allerlei verboden te begaan en neigt hij ertoe anderen onrecht aan te doen. Want hij beschouwt zichzelf als groot, wordt hoogmoedig en kijkt op anderen neer.
Maar de godvrezende gelovigen letten hierop. ‘Uthmân (vrede zij met hem) en ‘Abdurrahmân bin ‘Awf (vrede zij met hem) behoorden tot de rijke moslims; zij waren zeer nederig en gaven overvloedig uit op de weg van Allah. Maar toen Banû Isrâ’îl rijk werden, werden zij hoogmoedig, verdorven en richtten verderf aan op aarde. Tot op de dag van vandaag streven zij ernaar rijk te worden, en zodra zij rijk zijn, verspreiden zij verderf.
Daarom waren de metgezellen van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) beter dan de metgezellen van Mûsâ (vrede zij met hem) en dan Banû Isrâ’îl. Zij werden nooit hoogmoedig; degenen onder hen die rijk waren, gaven overvloedig uit op de weg van Allah en hechtten geen waarde aan geld en bezit. Want wie geld en bezit liefheeft, wordt gierig, hoogmoedig en zelfs opstandig.
Comments are closed.