Vraag:
Wij verrichten veel daden van aanbidding om beloning te krijgen. Maar soms vervallen we ook in haraam en begaan we zonden. Soms zeggen we: “Onze zonden worden uitgewist wanneer we goede daden doen.”
Maar wissen de zonden daadwerkelijk onze goede daden uit? En zo ja, wat zijn daar de bewijzen voor?
Worden onze goede daden bijvoorbeeld uitgewist als iemand grote zonden begaat zoals rente of zina?
Antwoord:
Allah سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى zegt:
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُواْ لاَ تُبْطِلُواْ صَدَقَاتِكُم بِالْمَنِّ وَالأذَى كَالَّذِي يُنفِقُ مَالَهُ رِئَاء النَّاسِ وَلاَ يُؤْمِنُ بِاللّهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَمَثَلُهُ كَمَثَلِ صَفْوَانٍ عَلَيْهِ تُرَابٌ فَأَصَابَهُ وَابِلٌ فَتَرَكَهُ صَلْدًا لاَّ يَقْدِرُونَ عَلَى شَيْءٍ مِّمَّا كَسَبُواْ وَاللّهُ لاَ يَهْدِي الْقَوْمَ الْكَافِرِينَ
“O jullie die geloven! Maak jullie liefdadigheid niet ongeldig door verwijten te maken en te kwetsen, zoals iemand die zijn bezit uitgeeft voor de ogen van de mensen en niet gelooft in Allah en de Laatste Dag. Zijn toestand is als die van een rots bedekt met aarde: een stortregen treft hem en laat hem kaal achter. Zij houden niets over van wat zij hebben verdiend. Allah leidt het ongelovige volk niet.” (al-Baqara 264)
Wanneer een moslim iets aan liefdadigheid uitgeeft maar daarbij pronkt, verwijten maakt of de ontvanger kwetst, maakt hij zijn liefdadigheid ongeldig en vernietigt hij zijn beloning. Allah vergelijkt dit gedrag met dat van de ongelovigen – een zeer harde vergelijking – omdat zij niet voor Allah geven, maar voor roem, reputatie of eigenbelang.
Allah سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى zegt ook:
وَمَنۡ يَّكۡفُرۡ بِالۡاِيۡمَانِ فَقَدۡ حَبِطَ عَمَلُهٗ وَهُوَ فِى الۡاٰخِرَةِ مِنَ الۡخٰسِرِيۡنَ
“Wie het geloof verwerpt, diens werken worden vruchteloos, en hij zal in het Hiernamaals tot de verliezers behoren.” (al-Ma’ida 5)
Nadat Allah een aantal oordelen heeft vastgesteld, heeft Hij aan het einde van dit vers deze uitspraak geplaatst. Wie de oordelen van Allah verwerpt, heeft het geloof verworpen. Zijn goede daden worden daardoor ongeldig en zijn beloningen worden uitgewist. Zo iemand zal in het Hiernamaals tot de verliezers behoren.
Verder zegt Allah سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى:
وَلَا تَكُوۡنُوۡا كَالَّتِىۡ نَقَضَتۡ غَزۡلَهَا مِنۡۢ بَعۡدِ قُوَّةٍ اَنۡكَاثًا ؕ
“Wees niet zoals de dwaze vrouw die haar stevig gesponnen draad weer ontrafelde.”(an-Nahl 92)
Wie na goede daden vervalt in zonden en ongehoorzaam is, lijkt op deze vrouw: hij vernietigt wat hij zelf heeft opgebouwd.
Sommige moslims verbinden zich niet op basis van geloofsleer (aqidah), maar handelen uit enthousiasme, sluiten zich aan bij de zaak, hechten zich aan de religie, letten op halal en haram, en nemen een strijders identiteit aan. Maar na verloop van tijd verdwijnt hun enthousiasme, laten zij zich door de wereld misleiden of sluiten zich om allerlei redenen aan bij een systeem van ongeloof. Zo lijken zij op die dwaze vrouw; zij maken al hun goede daden ongedaan en wissen hun beloningen uit.
De Profeet ﷺ zei:
إنما الأعمال بالخواتيم
Daden worden slechts beoordeeld naar hun einde. (Bukhari en Muslim)
Belangrijk is dus dat een persoon volhardt in goede daden en ze niet door zonden ongeldig maakt. Sommige mensen doen veel goeds, maar gaan zich later misdragen, waardoor hun eerdere daden uitgewist worden en niet voldoende zijn als verzoening.
Allah سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى zegt:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَلَا تُبۡطِلُوٓاْ أَعۡمَٰلَكُمۡ
“O jullie die geloven! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de Boodschapper. Maak jullie daden niet ongeldig.” (Muhammad 33)
De gelovige moet de bevelen van Allah en Zijn Boodschapper volgen zoals zij in de Koran en de Soenna staan; hij dient zich niet bezig te houden met daden die hiermee in strijd zijn en geen zonden te begaan. Doet hij dat wel, dan maakt hij zijn goede daden ongedaan en kan hij door zijn ongehoorzaamheid aan Allah en Zijn Boodschapper zijn beloningen laten verdwijnen.
Ibn ‘Umar (moge Allah tevreden over hem zijn) zei:
Wij, de metgezellen van de Boodschapper, dachten vóór de openbaring van dit vers dat elke goede daad zeker geaccepteerd zou worden. Toen dit vers werd geopenbaard, vroegen we ons af: ‘Wat doet onze goede daden teniet?’ We zeiden: ‘Grote zonden.’ Daarna werd het volgende vers geopenbaard:
“Voorwaar, Allah vergeeft nooit wanneer aan Hem deelgenoten worden toegekend, maar daarbuiten vergeeft Hij wie Hij wil.” (An-Nisā’ 48)
Ebû’l-Âliye heeft als volgt overgeleverd:
De metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ dachten dat iemand die ‘Lā ilāhe illā Allah’ zegt, geen schade zou ondervinden van zijn zonden, behalve als hij ‘shirk’ pleegde dan zouden zijn daden geen enkel nut hebben. Maar toen dit vers werd neergezonden, begonnen wij bang te worden dat zonden de goede daden teniet konden doen.
Hasan al-Basrī zei bij het uitleggen van dit vers:
“Zonden vernietigen goede daden.”
De Boodschapper van Allah ﷺ zei ook:
“Weten jullie wie de bankroeteling (al-muflis) is?”
De metgezellen zeiden: “Degene die geen dirham en geen bezit meer heeft.”
Hij ﷺ zei:
De ware moeflis van mijn gemeenschap is degene die op de Dag der Opstanding komt met gebed, vasten en zakaat, maar hij heeft iemand beledigd, iemand belasterd, iemand onrechtmatig beroofd, iemands bloed vergoten of iemand geslagen. Zijn goede daden worden afgenomen en aan de benadeelden gegeven. Als zijn goede daden op zijn, worden hun zonden op hem geladen. Daarna wordt hij in het Vuur geworpen. (Muslim)
Comments are closed.