سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 63-64
Het verheffen van de berg Thoer boven de Israëlieten toen Allah (cc) van hen het verbond nam:
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ وَرَفَعۡنَا فَوۡقَكُمُ ٱلطُّورَ خُذُواْ مَآ ءَاتَيۡنَٰكُم بِقُوَّةٖ وَٱذۡكُرُواْ مَا فِيهِ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ
ثُمَّ تَوَلَّيۡتُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَۖ فَلَوۡلَا فَضۡلُ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَرَحۡمَتُهُۥ لَكُنتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ
En (gedenk, o Kinderen van Israël) toen Wij het verbond aangingen en Wij boven jullie de berg Thoer lieten oprijzen (zeggende): “Houdt jullie vast aan wat Wij jullie gegeven hebben en gedenk wat er in staat. Hopelijk zullen jullie Allah vrezen. Hierna keerden jullie je ervan af. Als Allah jullie geen gunst en genade verleend had, dan zouden jullie zeker onder de verliezers zijn. (al-Baqarah: 63-64)
Allah wilde dat Banû Isrâ’îl de Thora die Hij (swt) hun had gegeven, zouden naleven. Hij eiste zelfs dat zij zich er strikt aan zouden houden. Daarom vroeg Hij (swt) hun een belofte en een verbond. Toen Hij dit verbond sloot, liet Hij de berg Thoer boven hen oprijzen. In een andere soera zegt Allah Celle Celaluhu het volgende:
وإذ نتقنا فوقهم الجبل كأنه ظلة وظنوا أنه واقع بهم خذوا ما آتيناكم بقوة واذكروا ما فيه لعلكم تتقون
“Eens hebben wij de berg als een schaduw boven de kinderen van Israël opgeheven, en zij dachten dat hij op hen zou vallen. Wij zeiden: ‘Houd vast aan wat Wij u hebben gegeven (het Boek) en onthoud wat erin staat, opdat u vroom zult zijn (beschermd zult worden).’” (Al-A‘raf 171)
Hier stuurt Allah hen een dreigement. Als jullie je niet aan jullie woord houden en niet met alle kracht en vastberadenheid de woorden van Allah naleven, zal deze berg op jullie neerstorten. Want wie een belofte doet aan Allah, moet die belofte nakomen, anders verdient hij de straf van Allah. De belofte aan Allah is geloof en handelen in overeenstemming daarmee. Wie zegt dat hij in Allah, Zijn Boodschapper, Zijn Boek en de Dag des Oordeels gelooft, heeft een belofte aan Allah gedaan. Daarom moet hij handelen in overeenstemming met dit geloof. Hij zal zich strikt houden aan wat Allah’s Boodschapper heeft geopenbaard, alle geboden in het Boek naleven, zich verre houden van alle verboden en altijd de straf van Allah in gedachten houden. Op de Dag des Oordeels zal hij ter verantwoording worden geroepen en zijn einde zal ofwel het paradijs ofwel de hel zijn. Dat leven (het hiernamaals) is eeuwig. Het wereldse leven is echter tijdelijk. Op deze manier wordt de mens vroom en wordt hij beschermd tegen de straf van Allah. Als hij dit geloof altijd in zijn gedachten houdt, zal hij Allah vrezen en, hoeveel hij ook in de wereld verdient, voortdurend nadenken over de waarheid dat het wereldse leven tijdelijk is en het hiernamaals oneindig en eeuwig. Maar de mens wil altijd in deze wereld blijven leven en probeert zichzelf daarvoor te beschermen, maar als zijn tijd gekomen is, gaat hij heen. Hij kan daar niets tegen doen, want hij heeft daar niet de kracht voor.
De Israëlieten vertoonden verslapping, zij hielden zich niet stevig vast aan de geboden van Allah; in de verzen die wij eerder hebben getoond, kwamen zij in opstand tegen Allah. Allah liet over hen een bestraffing neerdalen en daarna liet Hij (swt) over hen Zijn (swt) barmhartigheid neerdalen. Dat wil zeggen: Hij (swt) vergaf hen en redde hen. De gunst van Allah is niet omdat de mensen een goede daad verrichten, maar zij is een gunst en een vermeerdering van Allah naar de mensen toe. Anders zouden zij dit niet verdienen. De barmhartigheid hier is dat Hij (swt) hen van de bestraffing redde. Anders zouden zij tot de Dag der Opstanding voortdurend in verlies zijn gebleven. Hier geeft Allah de mensen een kans zodat zij berouw tonen, de belofte die zij hebben gegeven herinneren en zich er opnieuw aan vastklampen. Dat zij datgene wat in het Boek staat telkens opnieuw herinneren, opdat zij godsvruchtig kunnen worden. Want mensen dwalen soms af of komen in opstand. Allah laat over hen een tijdelijke en herinnerende bestraffing neerdalen, opdat zij zich opnieuw stevig aan hun godsdienst vastklampen en Zijn (swt) oproep dragen. Allah heeft zich tegenover de Israëlieten vele malen zo gedragen. Als dat niet zo was geweest, zou Hij (swt) dat volk hebben vernietigd en zouden zij zelfs geen kans hebben gevonden om opnieuw berouw te tonen.
Allah past dit ook toe op de islamitische ummah. Naarmate de islamitische ummah verslapping toont in haar verbondenheid met haar religie, haar zaak verwaarloost en zich te veel naar de wereld neigt, zullen zij tijdelijke bestraffing verdienen. In Al-Andalus, toen de moslims zich te veel naar de wereld neigden om muziek, zang, vermaak, het bouwen van mooie gebouwen en het verkrijgen van smakelijke zaken, toen zij zich opsplitsten en in elke regio en elke stad als het ware een aparte staat werden, en toen zij de jihad en de oproep verwaarloosden, vielen de wilde ongelovige christelijke Spanjaarden hen aan en onderdrukten hen. Want de ongelovigen wachtten op deze gelegenheid. In de laatste perioden van de Abbasiden, toen de moslims de jihad en de oproep verwaarloosden, toen de gouverneurs in de provincies onafhankelijk begonnen te handelen en slechts in naam aan de khalifah (kalief) verbonden bleven, vielen de wilde kruisvaarderschristenen hen aan, en daarna vielen de wilde Mongolen aan. De kruisvaarders pleegden in Jeruzalem zulke grote wreedheden dat, volgens hun eigen vertellingen, zij hun paarden in een zee van bloed zetten, het bloed tot aan de knieën van de paarden kwam, en de wilde ruiter op het paard hardop lachte en de giftige drinkbeker omhooghief. De wilde Mongolen verwoestten Bagdad, zij gooiden de werken die de moslims hadden geschreven in de rivier de Tigris, en door de inkt werd de rivier gitzwart. De wreedheid van de Spanjaarden kan helemaal niet worden beschreven. Na deze bestraffingen keerden de moslims terug naar hun religie, zij hielden zich er stevig aan vast, en zij begonnen de jihad en de oproep opnieuw. Zij brachten de kruisvaarders en de Mongolen een nederlaag toe. Daarna begonnen zij de openingen in Europa. In de tweede periode van het Ottomaanse Khilafah (vanaf de 1700-er jaren), toen de oproep en de jihad werden verwaarloosd, vielen de ongelovigen de moslims lastig. Terwijl de Russen aan de ene kant de Krim bezetten, bezetten aan de andere kant de Engelsen India, de Fransen Egypte en daarna Algerije, en de Nederlanders Indonesië.
Alle Europeanen begonnen een nieuwe kruistocht en bezetten één voor één de islamitische landen. Totdat zij in 1918 Istanboel, de hoofdstad van het Kalifaat, en in hetzelfde jaar Jeruzalem, dat door de moslims als de kroon van de bruid werd beschouwd, opnieuw bezetten, gingen de aanvallen van de nieuwe kruisvaarders door en zij vernietigden het Kalifaat. Op die manier verwijderden zij de islamitische religie uit de staat en uit het maatschappelijke leven. Zij vestigden de nieuwe regimes die zij hadden opgericht door hun seculiere systemen, die ongeloof zijn. In de laatste periode van de Ottomaanse staat werden onder de naam van verschillende fatwa’s wetten van ongeloof uit het Westen geïmporteerd en toegepast. Het rentesysteem, banken, strafwetten, democratie, het opsplitsen van rechtbanken enzovoort; en omdat men daardoor de jihad en de oproep verwaarloosde, stortte zij in. De ongelovigen maakten hun eigen mensen tot helden en bereidden hen voor, zodat zij via hen het Kalifaat, dat het islamitische systeem is, lieten vernietigen en de islam uit de staat en de samenleving verwijderden. Zo konden zij het seculiere systeem vestigen dat in strijd is met de islam en het leven en de rust van de moslims verstoort.
Nu echter, omdat de moslims de islam niet toepassen in de staat en in de samenleving, verdeeld zijn, vaderlandsgezind en nationalistisch zijn, geen jihad verrichten, de islamitische oproep (Daw’ah) niet dragen, zich niet verzetten tegen de onderdrukkers en zich onderwerpen aan de regimes van ongeloof, blijven bestraffingen en rampspoeden hen voortdurend treffen. Aardbevingen, bevingen, armoede, honger, moeilijkheden, verdeeldheid, aanvallen van ongelovigen; in Bosnië en Kosovo de wilde Serviërs, in de Kaukasus de Russen en Armeniërs, in Palestina de Joden, in India de hindoes, in Birma de boeddhisten enzovoort.
Hopelijk keren de moslims terug tot Allah, verbinden zij zich opnieuw stevig aan hun religie, passen zij de islam opnieuw toe in de staat en in de samenleving, worden zij één lichaam onder het dak van één islamitische staat (al Khilafah), dragen zij de oproep en beginnen zij via de staat de jihad om de hele wereld te openen. Dan zal Hij (swt) hen redden en tot voorspoed brengen. Zijn (swt) gunst en barmhartigheid dalen over hen neer, anders ondergaan zij het lot van de Israëlieten. De Israëlieten immers kwamen in opstand tegen Allah en pasten de religie van Allah niet toe in hun staten en samenlevingen, en zo bleven zij meer dan tweeduizend jaar in vernedering en bestraffing; naar welk land zij ook gingen, zij werden vernederd, in vernedering gebracht en onderdrukt.
Comments are closed.