Vraag: 

Wat is het bewijs dat men zich rond een tijdschrift groepeert en onder zijn aanvoering islamitisch werk verricht? Welk goddelijk oordeel vereist het uitvoeren van dergelijke activiteiten? 

Antwoord: 

Zoals bekend is het bewijs voor het oprichten van een hizb (partij) de uitspraak van Allah de Verhevene: 

“Laat er onder jullie een groep zijn die oproept tot het goede (de islam), het goede gebiedt en het verwerpelijke verbiedt. Zij zijn degenen die succesvol zullen zijn.” (Âl-i Imrân 104) 

De opdracht van Allah de Verhevene in dit vers is dat er onder de gelovigen een groep (kitla) gevormd moet worden. Deze groep kan een hizb, partij, fractie, organisatie of gemeenschap worden genoemd. Wat belangrijk is, is de inhoud ervan: haar gedachtegoed, methode en doel. Om succes te bereiken kunnen daar organisatievorm, programma, planning, stijl en middelen aan worden toegevoegd. 

In het vers wordt de gelovigen aangesproken met de uitdrukking:  
“Laat er uit jullie een gemeenschap (oemma) zijn.” 

Taalkundig duidt “oemma” op een aantal of groep van dezelfde soort. Dit kan slaan op een groep mensen, dieren of zelfs jaren. 

In Soera al-Mâ’ida (vers 56) en Soera al-Mujâdala (vers 22) wordt gesproken over de “hizb (partij) van Allah”. 

Taalkundig betekent “hizb”: een persoon en zijn metgezellen die zijn ideeën volgen. 

Terminologisch betekent een “hizb”: het collectief worden van een groep individuen die een ideologie omarmen om deze in de samenleving te vestigen. 

In onze tafsir hebben wij de kwestie van het vormen van een gemeenschap en een partij uitgebreid behandeld bij Âl-i Imrân 104 en al-Mâ’ida 54–58. Daarnaar kan worden verwezen. 

Het belangrijkste punt is de inhoud van de hizb: haar geloof (aqeeda), ideeën, methode, doel, organisatie en programma. Ook planning, stijl en middelen maken hier deel van uit. Daarnaast moeten de leiders en leden van dezelfde ideologische aard zijn.  
Dit kan als volgt worden samengevat: 

  1. Het moet de islamitische geloofsleer (aqeeda) diepgaand verduidelijken en stevig verankeren in de harten en geesten van de leden. 
  1. Het moet ideeën die voortkomen uit de islamitische aqeeda uitzuiveren van vreemde invloeden, helder definiëren en afbakenen. 
  1. De werkmethode moet volledig duidelijk zijn, zonder onduidelijkheden, en gebaseerd op sterke shari‘a-bewijzen. De Boodschapper van Allah ﷺ en zijn methode moeten altijd als voorbeeld levend worden gehouden. 
  1. Het doel moet duidelijk en voortdurend voor ogen worden gehouden; werk gebeurt immers om een doel te bereiken, niet om het werk zelf. Doelloos werk lijkt op rondlopen in een leeg gebouw. 
  1. De organisatievorm is zeer belangrijk: het gaat om het winnen, binden en vormen van mensen. Dit moet uitsluitend gericht zijn op het verkrijgen van de  tevredenheid van Allah en het vestigen van Zijn heerschappij.  
    Mensen die materiële of persoonlijke belangen nastreven krijgen geen plaats. 

Leden moeten begrijpen wat de hizb is, waarom deze is opgericht en hoe zij werkt, en vertrouwen hebben in de leiding. De band tussen leden is ideologisch.  

Men sluit zich niet aan om kennis te vergaren of onderwijs te volgen, maar om ideologische strijd te voeren. De hizb moet worden begrepen als een politieke organisatie. Leden moeten politiek bewust en denkend zijn. 

Leden moeten geschikt zijn voor collectief werk, gedisciplineerd en serieus. Hun onderlinge band is gebaseerd op geloof en ideeën, niet op materiële belangen. 

Er zijn geen klassen of hiërarchische superioriteit; iedereen is gelijk. Wie verantwoordelijkheid draagt, heeft slechts een grotere plicht en moet nederiger zijn. 

  • Binnen de methode worden passende programma’s, korte- en langetermijnplanning, stijlen en middelen bepaald. 

Omdat ongelovigen, hun bondgenoten en onderdrukkende regimes dergelijke partijen vaak verbieden, worden passende methoden en middelen gekozen om het werk voort te zetten.  
De Boodschapper van Allah ﷺ gebruikte immers ook verschillende methoden en middelen om zijn boodschap te verspreiden. 

Het uitgeven van een tijdschrift is zo’n middel. Via dit middel worden activiteiten georganiseerd, bijeenkomsten gehouden en locaties geopend of gehuurd. Hier is geen shari‘a-belemmering voor. Wel moet duidelijk zijn dat dit werk bij de hizb hoort. 

Als voorbeeld: toen de hizb in 1953 in Libanon begon, verhinderde de staat haar activiteiten en werden leden soms onrechtvaardig gearresteerd. In 1989 werd het tijdschrift al-Wa‘i uitgebracht om het werk voort te zetten. In 2006, toen de staat meer ruimte gaf, werden activiteiten openlijk onder de naam van de hizb uitgevoerd. 

Ook in Turkije is een vergelijkbare werkwijze gestart: activiteiten worden onder de naam van een tijdschrift georganiseerd, maar het blijft duidelijk dat het om hizb-werk gaat. 

Het gaat dus niet om louter tijdschriftwerk, maar om partijwerk. De hizb probeert leiding te geven aan de islamitische gemeenschap, haar naam bekend te maken en voortdurend in contact te blijven met de oemma, zonder af te wijken van haar methode en ideologie. 

Als het slechts om een tijdschrift ging, zouden deze doelen niet worden nagestreefd en zou men zich beperken tot het bekendmaken van de naam van het tijdschrift. 

Comments are closed.