Vraag:
Wat is het recht van Allah (Azza wa Djal) over de dienaren, en wat is het recht van de dienaar over Allah (Azza wa Djal)?
Antwoord:
Het recht van Allah (Azza wa Djal) over Zijn dienaren is dat zij in Hem geloven zonder iets aan Hem als deelgenoot toe te kennen; dat zij geloven in Zijn engelen, het Hiernamaals, Zijn boodschappers en profeten, de geopenbaarde boeken, alle verzen van de Koran en in al qada’ wal qadar, en dat zij Hem alleen aanbidden.
Aanbidding betekent: in alle zaken de bevelen van Allah volgen en Zijn verboden vermijden.
Het verrichten van individuele verplichtingen (fard ‘ayn), zoals het gebed, het vasten, de zakat en de hadj; en het vervullen van collectieve verplichtingen (fard kifaya), zoals het voeren van jihad, het oprichten van of deelnemen aan een op de islam gebaseerde politieke partij die oproept tot de islam en haar heerschappij, en het gebieden van het goede en het verbieden van het verwerpelijke.
Een fard kifaya vervalt voor de overige moslims als een groep deze uitvoert. Als het niet wordt uitgevoerd, blijft het als een individuele verplichting op iedere moslim rusten.
Het begrafenisgebed (salat al-janaza) is ook een fard kifaya. Als een groep moslims het verricht, vervalt de verplichting voor de rest; als het niet wordt verricht, rust het als een individuele verplichting op elke moslim. Als het helemaal niet wordt verricht, zijn alle moslims die ervan op de hoogte zijn zondig.
Het kiezen van een kalief die de islam intern toepast en de islamitische oproep extern uitdraagt, en hem trouw zweren (bay‘a), is eveneens een fard kifaya. Als een groep of partij dit realiseert, vervalt het voor de anderen. Als een dergelijke staat nog niet bestaat, moet iedere moslim zich hiervoor inspannen; in dat geval wordt het een individuele verplichting. Als niemand zich inspant, zijn alle moslims zondig. Totdat deze staat is opgericht, is serieuze inzet om de staat te vestigen een individuele verplichting voor elke moslim.
Deze twee soorten verplichtingen vormen het recht van Allah over de moslims.
Daarnaast behoort het tot Zijn recht dat Zijn grenzen niet worden overschreden en dat Zijn verboden niet worden geschonden.
Het recht van Allah tegenover degenen die hun verplichtingen niet nakomen en Zijn verboden niet vermijden, is dat Hij hen bestraft en in de Hel werpt.
Als de dienaren echter in Allah geloven zonder deelgenoten, geloven in Zijn engelen, het Hiernamaals, Zijn boodschappers en profeten, Zijn boeken, alle verzen van de Koran en in al qada’ wal qadar, en Hem alleen aanbidden, Zijn bevelen volgen en Zijn verboden vermijden, dan heeft Allah het als een recht op Zichzelf gesteld om hen in het Paradijs te plaatsen.
Voorbeelden:
“Voorwaar, het gebed is de gelovigen op vaste tijden voorgeschreven.” (an-Nisa 103)
“O jullie die geloven! Het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor degenen die vóór jullie waren, hopelijk zullen jullie Allah vrezen.” (al-Baqara 183)
“De strijd is jullie voorgeschreven.” (al-Baqara 216)
Uitdrukkingen als “het is voorgeschreven” en “het is verplicht gesteld” betekenen dat dit een recht van Allah over de gelovigen is en een verplichting die Hij van hen verlangt. Soms komt dit ook direct als bevel:
“En de Haddj naar het Huis is door Allah aan de mensen opgelegd, voor degenen die het zich kunnen veroorloven.” (Aal ‘Imran 97)
“Waarlijk, Allah zal degenen helpen die Hem (met de godsdienst) helpen. Waarlijk, Allah is de drijvende kracht (achter Zijn schepping) en Almachtig. Degenen die Wij de macht over het land hebben gegeven (door hen te helpen tegen hun vijanden), zijn zij die bevelen inluiden voor het verrichten van de salaat, het betalen van de zakaat, het aansporen tot het goede en het verbieden van het slechte. En bij Allah rust het einde van alle zaken (in het Hiernamaals).” (al-Hadjj 40-41)
“O, jullie die geloven! Als jullie hulp bieden (voor de zaak van) Allah, dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig (op het slagveld) plaatsen. En degenen die niet geloofden, voor hen is de vernietiging. En (Allah) zal hun werken verloren doen gaan.” (Muhammad 7-8)
En Allah, Verheven is Hij, zegt:
“Waarlijk, in dit wereldse leven en op de Dag dat de getuigen zullen opstaan zullen Wij Onze Boodschappers en degenen die geloven tot overwinnaars maken.” (Ghafir 51)
Het recht van Allah over de gelovigen is dat zij Zijn religie ondersteunen, toepassen, doen voortleven, laten heersen en verdedigen. Als zij dat doen, heeft Allah het op Zichzelf een recht gesteld om hen te helpen, overwinning te schenken en hen het Paradijs binnen te laten.
“De gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn bondgenoten van elkaar, zij sporen (de mensen) aan tot het behoorlijke en verbieden (de mensen) het verwerpelijke zij verrichten volmaakt hun gebeden en geven zakaat en gehoorzamen Allah en Zijn Boodschapper. Allah zal genade met hen hebben. Zeker Allah is Almachtig, Alwijs.” (at-Tawba 71)
Dit is een mededelende uitspraak die de eigenschappen van de gelovigen beschrijft, maar draagt ook de betekenis van een bevel. Gelovigen moeten, als onderdeel van Allahs recht over hen, het goede gebieden, het verwerpelijke verbieden, het gebed onderhouden, de zakat geven en Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen. Wanneer zij dit doen, heeft Allah het op Zichzelf een recht gesteld om hen barmhartigheid te schenken, hen niet te bestraffen en hen het Paradijs binnen te laten.
In alle vergelijkbare zaken geldt: als de gelovigen het recht van Allah over hen vervullen, dan heeft Allah het op Zichzelf een recht vastgesteld om hen Zijn barmhartigheid te schenken, hen van de bestraffing te redden en hen, overeenkomstig hun sterke geloof en goede daden, in graden in het Paradijs te plaatsen. Ook heeft Hij beloofd hen in dit wereldse leven geluk te geven, hen te helpen en hen boven de ongelovigen te verheffen.
De moslim dient hiernaar te handelen en alle rechten van Allah te vervullen, opdat Allah hem beloont. Allah heeft dit immers voor Zichzelf als een recht vastgesteld.
Comments are closed.