سورة البقرة – Soera Al-Baqarah 74 

“Waar is de Joodse entiteit bang voor?” 

De hardheid van de harten van Banû Isrâ’îl  

ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوبُكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ فَهِيَ كَٱلۡحِجَارَةِ أَوۡ أَشَدُّ قَسۡوَةٗۚ وَإِنَّ مِنَ ٱلۡحِجَارَةِ لَمَا يَتَفَجَّرُ مِنۡهُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَشَّقَّقُ فَيَخۡرُجُ مِنۡهُ ٱلۡمَآءُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَهۡبِطُ مِنۡ خَشۡيَةِ ٱللَّهِۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ  

“Daarna werden jullie harten verhard. Zij werden als stenen of zelfs nog harder. Want onder de stenen zijn er waaruit rivieren ontspringen. En er zijn er die splijten waarna er water uit voortkomt. En er zijn er die uit vrees voor Allah van boven naar beneden neervallen. En Allah is niet onachtzaam tegenover wat jullie doen.” (al-Baqarah: 74) 

Ondanks dat Allah’u Teala vele wonderen aan Banû Isrâ’îl liet zien, bleven zij koppig doorgaan met verzet en opstandigheid. Daarom berispt en veroordeelt Allah hen. Hun harten zijn verhard, zij worden helemaal niet zacht. Zij vrezen Allah helemaal niet en naderen Allah niet met nederigheid. Voor hen zijn de bevelen van Allah alsof het de bevelen van een willekeurig mens zijn. Als zij geen materiële macht voor zich zien die hen angst inboezemt, vrezen zij helemaal niets en blijven zij voortdurend kwaad tonen en hoogmoedig grensoverschrijdend handelen. Allah’u Teala heeft hun werkelijkheid als volgt aan ons getoond: 

لَأَنْتُمْ أَشَدُّ رَهْبَةً فِي صُدُورِهِمْ مِنَ اللَّهِ، ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لَا يَفْقَهُونَ. 

“De angst die zij (de Joden) in hun binnenste voor jullie voelen, is heviger dan hun angst voor Allah. Dat is omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.” (al-Hashr 13) 

Dat wil zeggen dat zij niet nadenken over de macht van Allah en alleen bang zijn voor de macht die tegenover hen verschijnt. Daarom voelden zij zich groot en sterk, zoals wordt getoond in Soera al-Hashr vers 2. Toen een groep gelovigen samen met Hz. Mohammed Sallallahu Aleyhi Ve Sellem hun sterke burchten belegerde, drong angst hun harten binnen en gaven zij zich over. In de jaren 1940 kregen zij in Palestina, met de hulp en bescherming van alle wereldstaten, een staat en verwierven zij macht. Met grote arrogantie tegenover de hele wereld hebben zij in Palestina grote onderdrukking, buitensporigheid en wreedheid gepleegd en zij blijven dit doen. Met de toestemming van Allah, wanneer opnieuw de Islamitische Staat met het Kalifaat wordt opgericht en de moslims onder leiding van de Khalief optrekken tegen de Joodse entiteit, zal het merendeel van dit laffe volk naar Amerika en Europa vluchten, en degenen die achterblijven zullen zich overgeven aan de Islamitische Staat. Allah’u Teala heeft ons ervoor gewaarschuwd om niet zoals hen te worden: 

أَلَمْ يَأْنِ لِلَّذِينَ آمَنُوا أَنْ تَخْشَعَ قُلُوبُهُمْ لِذِكْرِ اللَّهِ وَمَا نَزَلَ مِنَ الْحَقِّ وَلَا يَكُونُوا كَالَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِنْ قَبْلُ فَطَالَ عَلَيْهِمُ الْأَمَدُ فَقَسَتْ قُلُوبُهُمْ وَكَثِيرٌ مِنْهُمْ فَاسِقُونَ. 

“Is het voor degenen die geloven nog geen tijd geworden dat hun harten nederig worden door het gedenken van Allah en door de waarheid die is neergezonden? En laten zij niet zijn zoals degenen aan wie eerder het Boek werd gegeven. Voor hen duurde de tijd lang, waarna hun harten verhardden. En velen van hen zijn verdorvenen.” (al-Hadid 16) 

Zij zien wonderen, maar worden niet zachter; integendeel, zij verharden nog meer. Hun harten zijn als stenen of zelfs harder. Noch een vermaning, noch een vers, noch een wonder en ook geen bewijs beïnvloedt hen. Wij hebben dit in Turkije gezien: toen Allah in 1999 een aardbeving liet plaatsvinden, werden de harten van veel mensen nog harder. Dit is een bestraffing van Allah. Toen er werd gezegd: “Vrees Allah, geef dit kufr-regime, deze grondwet en wetten op, stop met deze onrechtvaardige praktijken, werk niet samen met Amerika, Europa en de Joodse entiteit, keer terug naar de islam, richt de Islamitische Staat met het Kalifaat op en pas de sharia van Allah toe,” werden de seculiere staat en zijn aanhangers nog harder. Zij sloten zelfs degenen op die zeiden: “Deze aardbeving is een bestraffing van Allah, een goddelijke waarschuwing.” 

Hoeveel de Boodschapper van Allah, Sallallahu Aleyhi Ve Sellem, de Joden ook uitlegde en wonderen toonde, zij wilden nooit geloven. Sterker nog, in Soera al-Ma’ida vers 64 en 68 nam hun opstandigheid en ongeloof toe telkens wanneer de verzen van Allah aan hen werden voorgedragen. Zij probeerden zelfs de Boodschapper te doden. Ook eerder had Musa Aleyhisselam hun vele wonderen getoond, maar zij kwamen in opstand. Daarom werden hun harten hard als stenen, zelfs harder. De reden is dat uit sommige stenen en rotsen bronnen en rivieren ontspringen en water eruit naar buiten spuit. 

Door de barmhartigheid van water splijten stenen en rotsen. Zij laten toe dat water onder de grond en door de bergen stroomt om mensen, dieren en planten van water te voorzien. Deze stenen worden zacht voor barmhartigheid. Maar Banû Isrâ’îl en degenen die op hen lijken worden nooit zacht; zij willen niet nadenken over de verzen van Allah of ernaar luisteren, zo hard zijn zij. Als iemand die oproept tot een zaak hen aan een vers herinnert en hen waarschuwt voor de bestraffing van Allah, dan wordt het beschouwd alsof hij een groot misdrijf heeft gepleegd. En hij wordt onmiddellijk opgesloten. Sommige stenen rollen uit vrees voor Allah van boven naar beneden. Dat betekent dat een deel van de stenen uit vrees voor Allah valt, terwijl zij zacht worden tegenover Allah. Wij geloven hierin vanwege het vers, maar wij kunnen het niet rationeel bewijzen. Als stenen uit vrees voor Allah vallen, willen deze ongelovigen dan helemaal geen vrees voor Allah hebben? 

Allah waarschuwt ons opdat wij geen hardvochtige mensen zoals Banû Isrâ’îl zouden worden. Tegelijkertijd waarschuwt Hij (swt) ons voor deze Joden. Er is nauwelijks hoop dat zij zullen geloven. Want zij zijn niet zo. Er wordt geen goed van hen verwacht. In het volgende vers vestigt Hij onze aandacht op deze kwestie. 

Comments are closed.